Duurzaam medicijn tegen discriminatoir gedrag

Wanneer ik Cruijff het woord “zwartjes” hoor gebruiken ter aanduiding van voetbalspelers met een donkere huidskleur en de naar aanleiding van dit woordgebruik ontstane beschuldigingen aan zijn adres over vermeend discriminatoir gedrag volg, probeer ik me te verplaatsen in de voetbalcultuur en haar omgangsvormen. Mijn herinneringen gaan terug naar de periode dat ik als grote blanke jongen met rood haar, voetbalde bij de plaatselijke voetbalvereniging van het Brabantse dorp waar ik opgroeide. Als lid van deze vereniging had ik me gediscrimineerd kunnen voelen en wel om twee redenen; ik had rood haar en ik sprak Algemeen Beschaafd Nederlands in plaats van het dorpsdialect. Twee redenen waardoor ik niet opgenomen werd in de vriendengroep van het elftal waarin ik speelde. Ik stond buiten de groep. Mijn voetbalkwaliteiten hielden me op de been.

Ik kan me niet herinneren dat, enkele voetbalvriendjes uitgezonderd, medespelers, leiders of andere jongens van de voetbalclub mij bij mijn voornaam noemden. Ik werd doorgaans bij mijn achternaam genoemd. Nieuwe vriendjes dachten daardoor dat mijn achternaam mijn voornaam was en waren dan ook zeer verbaasd als tijdens nadere kennismaking bleek dat ik behalve mijn achternaam nog een andere voornaam bleek te hebben. Als ik niet bij mijn achternaam genoemd werd schalde er “rooie” of “lange” over het voetbalveld. Zoals gezegd, ik voelde me niet gediscrimineerd. Feitelijk hadden ze immers gelijk; ik had rood haar en was een kop groter dan de andere jongens. Bovendien had iedere speler een bijnaam. Mijn voetbalvriend was een boerenzoon waardoor hij in de regel door de andere jongens ‘boer’ werd genoemd. Een speler met een bril werd ‘schele’ genoemd.

Iemand aanspreken met zijn bijnaam of achternaam in plaats van de voornaam hoorde bij de gebruikelijke omgangsvormen van de leden van de voetbalclub. Het was een manier van communiceren die ik erg onpersoonlijk en lomp vond maar waarvan ik wel zag dat het een gewoonte was. Een gewoonte die voortkwam uit het onvermogen om op een meer persoonlijke en open manier met elkaar te communiceren. Niet een gewoonte met de intentie mij minderwaardig te behandelen. Daarom voelde ik me ook niet gediscrimineerd als ik ‘rooie’ of ‘lange’ werd genoemd. Het scheelt waarschijnlijk dat roodharigen in de regel geen voorouders hebben die gedurende vierhonderd jaar als slaaf te werk zijn gesteld. 

Zo’n vijf jaar later ontmoette ik mijn jeugdliefde. Haar ouders waren geboren in één van de voormalige koloniën van ons land en in de jaren zestig geëmigreerd naar Nederland. Zij noemden mij geen “rooie” en lachten altijd vriendelijk naar me. Toch was het vanaf dag één voor hen duidelijk dat alleen een welgemanierde goedopgeleide jongeman afkomstig uit hun eigen land, goed genoeg voor hun dochter zou zijn. Ik was goed opgeleid, welgemanierd volgens de Nederlandse norm maar wel blank. En dan ook nog groot, sterk en met rood haar. Ik werd vriendelijk doch hartgrondig en hardnekkig door hen genegeerd ondanks dat ik open stond voor hun waarden en normen, voor hun cultuur. Hoe frustrerend ik hun houding jegens mij ook vond, ik zag wel in dat zij door hun persoonlijke geschiedenis en manier van denken niet het vermogen hadden op een andere manier met mij om te gaan.

Beiden zojuist genoemde ervaringen hebben me geleerd dat mijn gevoel wel of niet gediscrimineerd te worden en de mate waarin, vooral afhangt van de betekenis die ik zelf geef aan de woorden of het gedrag van de ander. Daarnaast leerden deze ervaringen mij dat discriminatoir gedrag ook onder gekleurde Nederlanders voor komt.  

Deze twee aspecten worden onderbelicht in de nationale discussie over dit onderwerp wat onverlet laat dat ik het een goede maatschappelijke ontwikkeling vind dat bewuste en onbewuste vormen van discriminatie benoemd worden. Het feit dat dit ‘benoemen’ zoveel agressie en discriminerende uitlatingen uitlokt van andere Nederlanders aan het adres van de benoemer  (Sylvana Simons of andere gekleurde Nederlanders), bewijst dat er een pijnlijk taboe ligt op het duiden van discriminatoir gedrag in onze samenleving.   

Hoe kan discriminatie bestreden worden? Niet door het bestrijden van de symptomen door strafrechtelijke vervolging of andere repressieve maatregelen maar door het aanpakken van de werkelijke oorzaak; het bestaan van (on)bewuste vooroordelen en onjuiste overtuigingen over een groep mensen van een ander geloof, ras of seksuele voorkeur bij diegene die discrimineert.

Een overtuiging is niets anders dan een gedachte die je bewust of onbewust als waar hebt gekenmerkt. De meeste gedachten of overtuigingen zijn mislukte pogingen van “het denken” om de werkelijkheid in kaart te brengen. De werkelijkheid is namelijk alleen waar te nemen door te “ervaren”. Een ervaring kan achteraf wel gekaderd worden met de ratio. Van belang is daarbij te waken voor generalisaties.

De ervaring is pas zuiver en niet gekleurd zodra “het denken” ontdaan is van haar overtuigingen en vooronderstellingen die niet overeen komen met de werkelijkheid. Om zuiver te ervaren is het daarom belangrijk dat overtuigingen getoetst op waarheid. Dit kan door het doen van zelfonderzoek. Het resultaat van gedegen zelfonderzoek is een zuivering van het denken en een vergroot zelfbewustzijn. In een zuiver bewustzijn is de oorzaak van discriminatoir gedrag verdwenen. Het zuiveren van je bewustzijn is daarmee het meest duurzame medicijn tegen discriminatie. 

Bericht Delen?!

Reactie Achterlaten

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.